Ferdinando Carulli (February 9, 1770–February 17, 1841)
Ferdinando Maria Meinrado Francesco Pascale Rosario Carulli (Napels, Italië, 9 februari 1770 – Parijs, 17 februari 1841) was een Italiaans componist, muziekpedagoog en gitarist.
Carulli kreeg eerst celloles en studeerde, zoals zijn Spaanse collega's Fernando Sor en Dionisio Aguado, muziektheorie bij een rooms-Katholieke priester. Later was hij erg bezig met het gitaarspel en was voor zijn buitengewone meesterschap op dit instrument heel bekend. Aan het begin van zijn artistieke loopbaan gaf hij concerten in heel Italië. Na een verblijf in Wenen vertrok hij later in 1808 naar Parijs, waar hij in de Salons ware triomfen vierde. Hij was ook een succesrijke leraar. Tot zijn studenten behorden gitaristen uit heel Europa, maar vooral dochters en zonen van de Franse adel en uit de aristocratie. In 1810 leerde hij Filippo Gragnani kennen en zij zouden levenslang vrienden blijven.
In 1801 huwde hij de Franse Marie-Josephine Boyer, bij wie hij later een zoon Gustavo Carulli (1801-1876) kreeg.
Eerst bewerkte hij talrijke werken van klassieke componisten, onder andere het 1e deel uit Joseph Haydns Symfonie nr. 104 voor twee gitaren. Hij was ook een actief componist en in 1807 publiceerde hij in Milaan zijn eerste werken. In totaal zou hij meer dan 400 werken gecomponeerd hebben. Vele van deze werken zijn niet uitgegeven. Het zijn meestal solostukken en duetten voor gitaar, maar ook kamermuziek met gitaar en twee concerten voor gitaar. Heel populair en ook tegenwoordig nog in gebruik is zijn Complete methode voor gitaar op. 27. Ook schreef hij thematische muziek, onder andere een stuk over het leven van Napoleon Bonaparte en werken met titels als De storm (sonata sentimentale), De verovering van Algiers (pièce historique) en De liefde van Venus en Adonis.
Samen met de Franse gitaarbouwer Pierre René Lacote patenteerde hij in december 1826 de tiensnarige "Decacorde", een gitaarvariant met tien snaren, volgens Carulli bedoeld om het spel te vergemakkelijken. Van de tien snaren waren er slechts vijf bestemd om op de gebruikelijke wijze met de linkerhand te bespelen, de overige vijf waren bassnaren die 'open' gespeeld dienden te worden. Voor het instrument schreef hij de "Méthode pour le Décacorde". Diverse exemplaren van de Décacorde zijn bewaard in Europese musea (o.a Brussel en Parijs), maar het instrument is nooit echt aangeslagen.



